Niets is alles - deel 2, Mulisch, Harry
InleidingIn de besloten kring van een Zoetermeerse literatuurgroep is mij gevraagd om een korte inleiding te verzorgen over Harry Mulisch en zijn werk. Dit alles in verband met het gesprek dat de leden met elkaar zullen hebben over Mulisch’ roman “De ontdekking van de hemel”.
Door de relatief korte voorbereidingstijd -het lezen en bestuderen van “De ontdekking van de hemel” neemt op zichzelf al veel tijd in beslag- heb ik mijzelf “ernstige beperkingen” op moeten leggen. Daarnaast was het in de korte tijd niet mogelijk om beslag te leggen op alle literatuur die ik wilde bestuderen[1].
De belangrijkste beperking die ik mezelf heb opgelegd -en waaraan ik me overigens niet heb gehouden- is om in deze inleiding niet teveel met eigen interpretaties en analyses t.a.v. het werk van Mulisch op de proppen te komen.[2]
In deze ministudie laat ik vooral Harry Mulisch zelf aan het woord[3], zodat deze studie tevens gezien kan worden als een kleine bloemlezing. Daarnaast vond ik het proefschrift van Frans de Rover “De weg van het lachen, over het oeuvre van Harry Mulisch” erg inspirerend en veel van diens bevindingen en inzichten heb ik in deze inleiding verwerkt. Ook voor de bespreking van het boek “De ontdekking van de hemel” heb ik gebruik gemaakt van de know how van Frans de Rover.[4]
De subtitel “Niets is Alles”, is mij in een droom ingefluisterd. Toen ik met die tekst wakker werd, wist ik dat het een goede samenvatting is van de basismotieven van het werk van Mulisch.[5] [6] [7]
De opbouw van deze inleiding is als volgt:
Na de proloog wordt in de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk “de geschiedenis van Harry Mulisch” door hem zelf verteld in de vorm van een tijdtafel. De tweede paragraaf bevat een aantal aanvullingen en toevoegingen op deze tijdtafel. Voor het merendeel zijn de wetenswaardigheden die daarin vermeld worden afkomstig uit interviews en de “autobiografische” werken “Voer voor psychologen” en “Mijn getijdenboek”.
Hoofdstuk 2 gaat in op de literatuuropvatting van Mulisch. Hierin wordt uiteengezet wat schrijven voor de auteur betekent en welke technieken hij gebruikt om zijn literatuuropvatting in praktijk te brengen.
Hoofdstuk 3 bevat een scala van thema’s en motieven die in het werk van Mulisch een belangrijke rol spelen. Het hoofdstuk is een poging om een verband te zoeken tussen de vele motieven.
Hoofdstuk 4 bevat in collage-achtige vorm een aantal wetenswaardigheden over het boek “De ontdekking van de hemel”.
De inleiding wordt afgesloten met de epiloog, gevolgd door een aantal bijlagen, waaronder de voetnoten. Deze voetnoten bevatten naast de gebruikelijke verantwoordingen ook tal van gedachten, associaties, wetenswaardigheden en uitweidingen, die uit de inleiding zelf zijn geweerd teneinde het geheel niet te springerig te maken.
opmerkingen bij uitgave 2
In deze uitgave zijn enkele storende onvolkomenheden verwijderd.
opmerkingen bij uitgave 3 (concept)
Uitgave drie bevat een aantal uitbreidingen n.a.v. een aantal artikelen die ik in
een speciaalnummer over Harry Mulisch in Buzzlletin vond. (Een speciaalnummer uit 1986). Met name heb ik een hoofdstuk toegevoegd over de poëzie van Harry Mulisch).
Proloog
Het oeuvre van een schrijver is, of behoort te zijn, een totaliteit, één groot organisme, waarin elk onderdeel met alle andere verbonden is door ontelbare draden, zenuwen, spieren, strengen en kanalen, waardoor onderling voeling gehouden wordt en geheime berichten heen en weer worden gezonden, stromingen, seinen, code...Raakt men het ergens aan, ergens anders reageert het; een kolossale bloedsomloop is er in gaande en een alles omvattend stofwisselingsproces, geregeerd door haast onvindbare klieren, en in het midden: de hypofyse, voorgoed onzichtbaar. Het oeuvre is het nieuwe lichaam van de schrijver, -een lichaam, dat hij zichzelf geschapen heeft, hechter en duurzamer dan hetwelk hij van zijn moeder heeft meegekregen. Het is bestemd, hem bij zijn verdwijning op aarde te overleven: niet “eeuwig”, maar enige tijd. Met dit nieuwe lichaam zal hij nog ademen, wanneer hij al lang heeft opgehouden te ademen; al lang sprakeloos geworden, zal hij er nog uit spreken.[8]
1. Harry Mulisch
Wie bestaat maakt niets. De schrijver moet leeg zijn, niet bestaan, zoals de schepper van hemel en aarde.
Harry Mulisch[9]
1.1 Tijdtafel van Harry Mulisch [10]
| 1926 | Ik word verwekt door Karl Victor Mulisch (geboren 1892 in Gablonz, Oostenrijk-Hongarije, thans Jablonec, Tsjechoslowakije) bij Alice Schwarz (geboren 1908 in Antwerpen). |
| 1927 | Ik word geboren in Haarlem, 29 juli, verjaardag van Mussolini. Stalin verbant Trotsky. Heisenberg stelt de onbepaaldheidsrelaties op. Eerste NSDAP-partijdag in Neurenberg. Oppenheimer, maker van de atoombom, promoveert in Göttingen. |
| 1928 | Ik leer lopen. Goebbels perschef van Hitler. |
| 1929 | Ik kan spreken. Himmler chef van de SS. Krach in Wallstreet. Andere tijden. |
| 1930 | Ik krijg opdracht om een pakje Lucky Strike te halen. Crisis in heel Europa. |
| 1931 | Ik loop weg in Bonn. In het najaar reis naar Berlijn, waar ik verdwaal in een labyrint in de Tiergarten. |
| 1932 | Ik zie mijn vader van een reis naar de Verenigde staten terugkomen met onder zijn arm een rugbybal voor mij. James Chadwick ontdekt het neutron, wat tot de atoomsplitsing zal leiden. |
| 1933 | Ik leer lezen en schrijven. Hitler rijkskanselier. De eerste concentratiekampen geopend. |
| 1934 | Ik krijg een poppenkast. Eichmann neemt dienst bij de SD. Fermi ontdekt de kunstmatige radioactiviteit. |