Wierook en tranen, Ruyslinck, Ward
C SAMENVATTINGHoofdstuk 1
Na een lange fietstocht komen Waldo Havermans en zijn ouders, op de tweede dag van hun overhaaste vlucht voor de binnentrekkende en snel oprukkende Duitsers, aan in het stadje Poperinge. Ze vinden hier onderdak bij een oud vrouwtje, dat een pijp rookt en Waldo de schrik op het lijf jaagt. Op de kamer, waar hij samen met zijn vader en moeder in één groot bed slaapt, vindt hij dat het er naar wierook ruikt. Zijn voorliefde voor de zoetige, harsige geur van wierook heeft hem daardoor de bijnaam ‘kerkuiltje’ opgeleverd. In het holst van de nacht wordt de familie opgeschikt door Willy, de kleinzoon van de oude vrouw. Hij komt vergif strooien om de ratten te verdelgen. Op Waldo maakt deze Willy een nare