Organisatie van een menselijk organisme,
VERWOORD MET DE TERMEN CEL,WEEFSEL,ORGAAN EN STELSEL HOE HET MENSELIJK ORGANISME IS OPGEBOUWD.Cellen met eenzelfde vorm en functie noemt men samen WEEFSEL.
Zo kent men spierweefsel, zenuwweefsel, dekweefsel, beenweefsel, bindweefsel enz…
Deze weefsels hebben zich onder elkaar gemengd om ORGANEN te vormen zoals lever,longen, hart, nieren…
Verschillende organen zullen samenwerken. Men noemt dit dan STELSELS.
Zo heeft men de huid, spierstelsel, zenuwstelsel….
Studie van het beenderstelsel.
BESPREEK HET BIND EN STEUNWEEFSEL.In de bindweefsels kan men 3 grote onderdelen herkennen:
- De Cellen of Fibrocyten,
- De Tussencelstof
- De bindweefselvezels
Jonge FIBROCYTEN noemt men FIBROBLASTEN.
Deze secreteren zowel de tussencelstof als de bindweefselvezels.
Zeer jonge bindweefselcellen die nog geen duidelijke herkenbare functie hebben noemt men MESENCHYMCELLEN.
Verder vindt men in het bindweefsel nog andere cellen zoals de Histiocyten, de Mestcellen (bevatten stoffen die een rol spelen in de controle van de bloedstolling en de reactie op een ontsteking) en de Plasmacellen die afweerstoffen maken en andere witte bloedcellen.
De TUSSENCELSTOF kan al naargelang zijn samenstelling meer of minder vloeibaar zijn.
Tussen de cellen komt ook de tussencelvloeistof voor die een filtraat is van het bloed en ongeveer dezelfde samenstelling heeft als het bloedplasma.
De functie van het bindweefsel is : Stevigheid, helpt wonden herstellen door groei (littekenvorming) en fagocytose van vreemde indringers, het filtert het bloedvocht.
De BINDWEEFSELVEZELS kunnen in 3 soorten worden onderverdeeld.
RETICULINEVEZELS : Men vindt ze vooral thv.het beendermerg, de lymfeorgaantjes,de lever.
COLLAGENE VEZELS: Zorgen voor de stevigheid,zijn weinig of niet uitrekbaar, men vindt ze vooral in pezen, gewrichtsbanden en omhullende vliezen.
ELASTISCHE VEZELS: Zorgen voor de elasticiteit van bindweefsel. Men vindt ze daarom in elastische banden zoals o.a; ter hoogt van de wervelzuil.
BESPREEK DE SOORTEN BEENDEREN EN HUN BOUW.
- LANGE BEENDEREN: zoals dijbeen, scheenbeen, opperarmbeen enz…
- KORTE BEENDEREN: zoals de wervellichamen, de hand-en voetwortelbeentjes.
- PLATTE BEENDEREN: zoals de schedelbeenderen,bekkenbeenderen enz..
Een lang been bestaat uit 2 GEWRICHTSKOPPEN of EPIFYSEN, met ertussen een lange schaft of DIAFYSE.
Tussen de diafyse en de epifyse, komt een trechtervormige overgangszone, dit is de METAFYSE.
De wand van de diafyse bestaat uit een dikke laag compact been en omgeeft een ruime MERGHOLTE.
Rond de gewrichtskoppen ligt een dun laagje compact been.

PLATTE BEENDEREN zijn opgebouwd uit 2 compacte beenlagen of beentafels met ertussen een laag pongieus been of Diploë. Men onderscheidt een buitentafel en een binnentafel. Errond komt een beenvlies voor.
De KORTE BEENDEREN bestaan uit pongieus been waarrond een erg dun laagje compact been gelegen is.
Ze zijn omgeven door een beenvlies.
BESPREEK DE GROEI VAN DE BEENDEREN.
De lange en korte beenderen ontstaan in de foetus eerst als kraakbeentjes.
De kraakbeencellen verkalken eerst en worden dan weggevreten om te worden vervangen door beencellen.
In het centrum van de diafyse ontstaat een mergholte.
De vervanging van het kraakbeen gebeurt eerst t.h.v. de diafyse en iets later in de beide epifysen.
Tussen de epifysen en de diafyse blijft er tot in de puberteitsgroei een kraakbeenschijf bestaan die zorgt vo