samenvattingen.com

Zoeken

Voortgezet Onderwijs | Middelbaar Beroepsonderwijs | Hoger Beroepsonderwijs | Wetenschappelijk Onderwijs


Opkomst en ondergang van Nieuwe Staten in West-Europa,

Inleiding

Als vervangende opdracht voor de modulen Plattegrond Politieke Instituties 1 en 2 is mij als centraal thema “Het ontstaan van Nieuwe Staten na de val van het Romeinse Rijk in West-Europa tussen 476 en 1980” aangereikt.
Als concrete opdrachten bij dit thema heb ik opgekregen:
  • Verklaar de ondergang van het West-Romeinse Rijk
  • Verklaar de opkomst van het Duitse Keizerrijk
  • Verklaar de opkomst van het Absolutisme
  • Verklaar de opkomst van het Europese Machtsevenwicht
Deze opdrachten zal ik in dit onderzoek gaan beschouwen als deelvragen.
Ik behandel in elk hoofdstuk één deelvraag om uiteindelijk tot de beantwoording van de hoofdvraag: “Zijn er overeenkomsten of wetmatigheden te ontdekken in de opkomst van nieuwe staten na de val van het Romeinse Rijk in West Europa tussen 476 en 1980?”
Ik heb in dit onderzoek gebruik gemaakt van de opgegeven literatuur. Maar ook van andere werken, zoals “A history of the Modern World” van R.R. Palmer.
Ik zal in dit onderzoek telkens aan de onderzijde van elke pagina annoteren, en ik geef aan het einde van dit werkstuk een complete literatuurlijst.

Hoofdstuk 1

De ondergang van het Romeinse Rijk

Periodisering

De periode tussen 284 en 476 in de geschiedenis van het Romeinse Rijk wordt ook wel het dominaat genoemd. Dit was de periode waarin de Romeinse keizers als alleenheersers optraden. Waren keizer Augustus en zijn opvolgers officieel slechts de ‘eersten’ in hun rijk, de keizers van het dominaat, te beginnen met Diocletianus, regeerden als absolute vorsten en ontnamen de Romeinse senaat en magistraten elke reële macht.
Het keizerschap berustte niet langer op de toestemming van de senaat en het volk, maar werd gerechtvaardigd als de wil van de Goden. De keizer noemde zichzelf ‘Dominus et Deus’ (Heer en God) en mat zich een goddelijke status aan.

Deze periode behandel ik in dit hoofdstuk op de volgende manier:
Ik ga uit van interne en externe factoren die van invloed geweest zijn op de ondergang van het West-Romeinse Rijk. Deze factoren zal ik in afzonderlijke paragrafen gaan behandelen, waarna ik, aan het einde van dit hoofdstuk een conclusie zal formuleren.
De paragrafen zijn de volgende:

Interne Oorzaken:
  1. De verdeling in Oost en West
  2. Economische Neergang
  3. Opvolgingsstrijd
  4. Religieuze verdeeldheid
Externe Oorzaken:
  1. De inlijving van barbaarse stammen en
  2. De invallen van Germaanse stammen
(Nb. de laatste twee onderdelen zal ik integreren tot één paragraaf.)

Interne Problemen:

1. Verdeling van het Rijk in Oost en West
Keizer Constantijn de Grote, die regeerde van 306 tot 337, hoopte dat de Christianisering van zijn rijk het keizerlijk imperium zou versterken. Maar hij nam ook een andere belangrijke stap. In 330 na Christus stichtte hij een nieuwe hoofdstad, in de Griekse stad Byzantium. Hij noemde de stad Constantinopel.
Het Romeinse Rijk had nu dus twee hoofdsteden: Constantinopel voor het oostelijk deel en Rome voor het westelijk deel. Het Rijk werd zo in politiek opzicht in twee helften verdeeld. Het leek er op dat de Romeinse top het ‘moderne’ experiment van het beschaven van het westen had opgegeven, of in ieder geval op een lager pitje had gezet. De nadruk leek nu meer op het Oosten gelegd te worden, alsof men d