samenvattingen.com

Zoeken

Voortgezet Onderwijs | Middelbaar Beroepsonderwijs | Hoger Beroepsonderwijs | Wetenschappelijk Onderwijs


Economie in balans 1 & 2,

Hoofdstuk 2

Produceren: Het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van productiefactoren door bedrijven en de overheid.

Productiefactoren:
  • Natuur
  • Arbeid: als er sprake is van betaald werk
  • Kapitaal (vermogen)
  • Ondernemersactiviteit
Nationaal product: de waarde van de productie in een land in een jaar.

Productie in de formele economie: de productie die bij de belastingdienst bekend is, kan geregistreerd worden door het CBS.

Productie in de informele economie: wordt niet door het CBS geregistreerd.
Bijvoorbeeld werkzaamheden in het grijze circuit: o.a. zelf een schuurtje bouwen (legaal)
Of werkzaamheden in het zwarte circuit, zoals zwart werken en drugs verhandelen (illegaal).

Concrete markt: marktkraampjes.

Abstracte markt: hier kan op alle mogelijke momenten en plaatsen sprake zijn van vraag naar en aanbod van een product.

Schaarste op de markt veroorzaakt in het algemeen een stijging van de prijs.

Op de vermogensmarkt kunnen bedrijven geld lenen om kapitaalgoederen aan te schaffen.

Belangengroep: een organisatie die voordelen probeert te behalen voor de mensen die ze vertegenwoordigt.

Vakbonden: zorgen voor de belangen van werknemers.

Arbeidsverdeling/specialisatie: het verdelen van de werkzaamheden.
  • interne arbeidsverdeling
  • externe arbeidsverdeling
  • geografische arbeidsverdeling
Arbeidsproductiviteit: de productie per werkende per tijdseenheid.

Breedte-investering: een onderneming breidt haar kapitaalgoederenvoorraad uit met machines van een type dat al in gebruik is, de verhouding kapitaal/arbeid blijft gelijk.

Diepte-investering: bijvoorbeeld: oud