Naamvallen,
1. Eerste naamval (wie/wat? + gezegde) Der Mann schwimmt.
- Onderwerp
- Naamwoordelijk deel van het gezegde (koppelwerkwoord: sein, werden, bleiben)
- Aangesproken persoon => mannelijk: lieber Robin
vrouwelijk: liebe Angela
2. Tweede naamval
- Bezitsrelatie (van de, van het, van een) Die Kamera meines Vaters.
Der Reifen eines Rades.
- Na voorzetsels met de tweede naamval: statt, während, wegen,